Naar de inhoud

Economie · 6 weken

Zakgeld dat groeit

Zes weken lang een kasboek bijhouden, sparen voor een doel — en zien hoe de bocht de rechte lijn inhaalt

Iedereen zegt dat sparen slim is, maar bijna niemand rekent het na. Jij wel. Zes weken lang schrijf je élke euro op die binnenkomt of weggaat — en aan het eind van de eerste week weet je al iets wat de meeste volwassenen niet van zichzelf weten: hoeveel je precies overhoudt. Daarna zet je twee manieren van sparen naast elkaar. In de ene stop je elke week een vast bedrag opzij; in de andere krijgt je geld elke week een vast percentage rente over wat er ín zit. De eerste manier wint met gemak, weken achter elkaar. Dat blijft zo tot de tweede hem plotseling inhaalt en er nooit meer achter komt. Jij gaat uitrekenen in welke week dat gebeurt — en waaróm het zo lang duurde.

🧰 Wat je nodig hebt

  • Een schrift of ruitjesblok als kasboek — € 1,00 tot € 2,00 bij de supermarkt of HEMA. Gratis alternatief: tien vellen bedrukt printpapier omdraaien en aan elkaar nieten.
  • Ruitjespapier of millimeterpapier voor de grafieken, minstens 4 vellen — een blok kost € 1,50 tot € 2,50. Gratis alternatief: met een liniaal zelf hokjes van 1 cm trekken op wit papier.
  • Liniaal, potlood, gum en een pen — meestal al in huis, anders samen ongeveer € 2,00.
  • Een rekenmachine — de app op een telefoon of tablet is prima en kost niets; een losse rekenmachine ligt bij de supermarkt voor ongeveer € 3,00.
  • Twee doorzichtige potten of envelopjes als spaarpot — gratis: een schone jampot en een oude envelop werken perfect. Doorzichtig is fijn, dan zíé je het groeien.
  • Een wasknijper of clip om bonnetjes bij elkaar te houden — gratis uit de keukenla.
  • Vier kleuren stift of kleurpotlood voor de grafiek en de uitgavencategorieën — ongeveer € 2,00. Kan ook met één pen: doorgetrokken lijn, stippellijn, streepjeslijn, puntjeslijn.
  • De rente die je ouder uitbetaalt bij de thuisbank van week 3. Die bank opent pas in week 3 en sluit met het project mee, dus er wordt vier keer uitbetaald: in de weken 3, 4, 5 en 6. Met het voorbeeldcontract (10% per week over maximaal € 25,00 rentedragend saldo, vier weken) is dat in de praktijk ongeveer € 5,60 en nooit meer dan € 10,00. Spreek dit vooraf af, het hoort bij de materiaallijst.
  • Totaal aan spullen: € 0,00 als je alles in huis hebt, tot ongeveer € 11,00 als je alles nieuw koopt.

⚠️ Voor de ouder: Voor de ouder: aan dit project zit geen enkel fysiek risico — geen vuur, geen gereedschap, geen chemie, geen hitte. Het risico zit in het contract, en dat is echt. (1) Zet vóór week 3 zwart op wit: het rentepercentage per week, een maximum aan rentedragend saldo én een einddatum. Laat die einddatum samenvallen met het einde van het project: de bank opent in week 3 en betaalt voor het laatst uit in week 6, dus vier keer. Zonder maximum en einddatum loopt 10% per week volledig uit de hand: € 12,00 groeit bij dat tarief in één jaar naar € 1.704,52. Met het voorbeeldcontract (10% per week, maximaal € 25,00, vier uitbetalingen) betaalt u ongeveer € 5,60 en absoluut nooit meer dan € 10,00. (2) Beloof geen rente die u niet kunt uitbetalen, en spreek dus vooraf een looptijd af die u zeker haalt. Een deal die halverwege wordt afgeblazen leert precies het verkeerde: dat afspraken over geld vrijblijvend zijn. (3) Laat uw kind geen rekening openen, geen bankapp installeren en nooit kaartgegevens, wachtwoorden of DigiD invullen. Het 'echte bank'-onderdeel van week 5 doet u samen op uw eigen scherm — alleen kijken en overschrijven op papier. Datzelfde geldt voor het opzoeken van de prijs van het spaardoel in week 2: kijk samen mee, laat uw kind geen account aanmaken en niets in een winkelmandje leggen. De prijs overschrijven in het schrift is genoeg. (4) Contant geld blijft thuis in de pot, niet mee naar school. (5) Als het kasboek laat zien dat er geld verdwijnt dat niemand kan verklaren, is dat een gespreksonderwerp en geen beschuldiging: kasverschillen zijn normaal, zie de tip bij week 1.

Week 1

Nulmeting: al je geld op tafel

Voor je iets kunt laten groeien, moet je weten wat je hébt. Deze week leg je letterlijk al je geld op tafel, tel je het en open je je kasboek. Zeven dagen lang noteer je elke cent die binnenkomt of weggaat. Zondagavond weet je al twee dingen over jezelf die je nu nog niet weet: hoeveel je per week overhoudt, en hoe goed je eigen boekhouding klopt.

  1. Verzamel élke cent die je bezit: portemonnee, spaarpot, jaszakken, la, de bodem van je rugzak. Sorteer per munt en biljet, tel op en schrijf het bedrag op. Dit is je startsaldo.
  2. Maak je kasboek: neem een schrift en trek vijf kolommen — datum, wat, in (+), uit (−), saldo. Zet als eerste regel 'startsaldo' met het bedrag uit stap 1.
  3. Noteer zeven dagen lang elke geldbeweging op de dag zelf. Ook € 0,50 voor een zakje snoep. Ook € 2,00 die je van oma krijgt. Ook geld dat je uitleent — dat is een uitgave tot je het terugkrijgt.
  4. Reken elke avond het nieuwe saldo uit: vorig saldo + in − uit. Eén regel per dag, ook als er niets gebeurde (dan schrijf je gewoon hetzelfde saldo).
  5. Bewaar alle bonnetjes onder een wasknijper. Aan het eind van de week gooi je ze weg, maar deze week zijn ze je bewijsmateriaal.
  6. Zondagavond: tel al je geld opnieuw, precies zoals bij stap 1. Vergelijk met het saldo in je boek. Klopt het niet? Noteer het verschil als aparte regel 'kasverschil' — niet stiekem gladstrijken.
  7. Reken je spaarquote uit: (inkomsten − uitgaven) ÷ inkomsten × 100%. Voorbeeld: je kreeg € 5,00 binnen en gaf € 3,20 uit, dus je hield € 1,80 over: € 1,80 ÷ € 5,00 = 0,36 = 36%.

📏 Noteer: Noteer vijf getallen: startsaldo in €, totaal inkomsten in €, totaal uitgaven in €, geteld eindsaldo in €, en het kasverschil in €. Reken daarna je spaarquote uit in %.

💡 Let op: Bijna niemand komt precies uit. Een kasverschil van € 0,50 tot € 2,00 in de eerste week is heel normaal — dat is bij een klein weekbudget al snel 5% tot 20%. De oorzaak is bijna altijd hetzelfde: kleine contante uitgaven zonder bonnetje die je 's avonds vergeet. Schrijf het verschil eerlijk op in plaats van het weg te poetsen; in week 6 ga je juist kijken of het verschil kleiner wordt. Nog iets om te weten: je eerste week is waarschijnlijk niet je normaalste week. Als je weet dat je alles opschrijft, geef je vanzelf iets minder uit. Dat heet het waarnemerseffect en het is een echt meetprobleem, geen smoes — daarom meet je zes weken en niet één.

Week 2

Waar gaat het heen? Je uitgaven in categorieën

Een lijst van veertien bedragen zegt niets; vijf stapeltjes wel. Deze week sorteer je je uitgaven in categorieën en teken je er een staafdiagram van. Daarna kies je je spaardoel en zoek je de échte prijs op. Met je cijfers uit week 1 maak je een eerste, nog behoorlijk naïeve schatting van wanneer je dat doel haalt.

  1. Ga je kasboek van week 1 langs en geef elke uitgave een categorie. Gebruik er maximaal vijf, bijvoorbeeld: eten en drinken, spellen en apps, cadeaus voor anderen, spullen, overig. Meer categorieën maken het onoverzichtelijk, niet nauwkeuriger.
  2. Tel per categorie de bedragen op en reken uit welk deel van je totale uitgaven dat is: bedrag ÷ totale uitgaven × 100%.
  3. Teken een staafdiagram op ruitjespapier. Kies een schaal en schrijf hem erbij, bijvoorbeeld: 1 hokje = € 0,20. Zonder schaal is een grafiek een tekening, mét schaal is het een meting.
  4. Kies je spaardoel en zoek de échte prijs op — in een winkel of samen met je ouder op een website, inclusief verzendkosten. Alleen kijken en overschrijven: niets bestellen, geen account aanmaken. Geen schatting, het echte bedrag met twee decimalen.
  5. Maak je eerste schatting: (doelbedrag − startsaldo) ÷ wat je in week 1 overhield = aantal weken. Bijvoorbeeld: (€ 90,00 − € 12,00) ÷ € 1,80 = 43,3 → 44 weken.
  6. Blijf je kasboek gewoon bijhouden. Elke dag, ook deze week.

📏 Noteer: Noteer het bedrag per categorie in €, je grootste categorie als % van je totale uitgaven, het doelbedrag in € en je geschatte aantal weken. Bewaar het staafdiagram, in week 6 komt er een tweede naast.

💡 Let op: Schrik niet van die 44 weken — dat is geen fout, dat is informatie. En let op de val die eronder zit: straks reken je met € 3,00 per week sparen, terwijl je in week 1 maar € 1,80 overhield. Een plan waarin je ineens bijna twee keer zoveel spaart als je ooit hebt gedaan, is geen plan maar een wens. Kijk liever nog een keer naar je grootste categorie: welke uitgave daarin zou je écht niet missen? Verder geldt: één week is geen patroon. Eén verjaardagscadeau van € 10,00 kan je hele beeld vertekenen. Wacht met harde conclusies tot week 6, als je zes weken hebt om over te middelen.

Week 3

De thuisbank opent: twee potjes, één rekenblad

Nu wordt het interessant. Je onderhandelt met een ouder over een echte rentedeal en legt die schriftelijk vast. Daarna maak je het rekenblad dat het hart van dit project is: twee potjes met hetzelfde startbedrag, waarvan de één elke week een vast bedrag erbij krijgt en de ander een vast percentage. Deze week vul je alleen de eerste rijen in — en het saaie potje leidt met straatlengtes.

  1. Onderhandel met je ouder over de thuisbank en schrijf het contract op: rentepercentage per week, maximaal rentedragend saldo, uitbetaaldag, einddatum en twee handtekeningen. Voorstel om mee te beginnen: 10% per week over maximaal € 25,00, elke zondag uitbetaald, van deze week tot en met week 6. Dat zijn vier uitbetalingen — de bank opent nu pas en hij sluit als het project stopt.
  2. Leg het startbedrag in de doorzichtige pot. In het voorbeeld hieronder is dat € 12,00; gebruik je eigen bedrag en reken alles met jouw getallen na.
  3. Maak je rekenblad op ruitjespapier: bovenaan de kolommen week 0 tot en met week 20, en daaronder twee rijen — potje A (vast bedrag) en potje B (vast percentage). Vul bij week 0 in beide rijen je startbedrag in.
  4. Reken rij A meteen helemaal vooruit: elke week hetzelfde bedrag erbij, in het voorbeeld € 3,00. Dat kun je zo ver doorrekenen als je wilt, want er zit geen verrassing in.
  5. Reken rij B alléén voor deze week uit: saldo × 1,10, afgerond op hele centen. Niet vooruit rekenen — je vult elke week één vakje in, zodat je het echt ziet gebeuren.
  6. Laat je ouder de rente van deze week echt uitbetalen en in de pot leggen. Noteer het bedrag ook in je kasboek als inkomst, want dat is het.
  7. Kasboek bijhouden. Derde week op rij.

📏 Noteer: Bewaar het ondertekende contract. Noteer rij A voor week 0 tot en met 6 vooruitgerekend, en het echte bedrag in potje B na deze eerste renteweek.

💡 Let op: 10% per week is absurd hoog en dat is expres: een echte bank geeft eerder 1,5% per jáár, en dan zie je in zes weken helemaal niets gebeuren. We persen een mensenleven aan rente in anderhalve maand. Precies daarom moeten dat maximum en die einddatum in het contract staan: zonder rem groeit € 12,00 bij 10% per week in één jaar naar € 12,00 × 1,10⁵² = € 12,00 × 142,04 = € 1.704,52, en dat gaat je ouder niet betalen. Nog een valkuil: week 1 van je rekenblad is niet week 1 van het project. De thuisbank opent nu, dus rekenbladweek 1 is projectweek 3, en rekenbladweek 4 is projectweek 6 — je laatste uitbetaling. Alles wat je op papier verder doorrekent, tot week 20 aan toe, is model en geen pot. In week 6 leg je ze naast elkaar en dan wordt het verschil juist het interessantste deel.

Week 4

De grafiek: rechte lijn tegen bocht

Getallen in een tabel verbergen wat er gebeurt; een grafiek verraadt het meteen. Deze week teken je beide potjes in één assenstelsel en zie je het verschil tussen optellen en vermenigvuldigen met eigen ogen. Potje A wordt een kaarsrechte lijn, potje B een bocht die eerst nergens op lijkt en dan steeds steiler wordt. Je zoekt de week waarin ze elkaar kruisen.

  1. Vul rij B bij voor deze week: vorig saldo × 1,10, afgerond op hele centen. Laat je ouder de rente uitbetalen en schrijf hem in je kasboek.
  2. Teken assen op ruitjespapier. Horizontaal: week 0 tot en met week 20, 1 hokje = 1 week. Verticaal: € 0,00 tot € 80,00, 1 hokje = € 2,00. Zet de schaal erbij.
  3. Zet de punten van rij A uit je vooruitberekening en verbind ze. Je krijgt een kaarsrechte lijn — elke week precies evenveel omhoog.
  4. Maak nu een dérde rij onder je rekenblad: rij B-voorspeld. Die reken je wél in één keer helemaal door tot week 20 met de rekenmachine, telkens × 1,10, startend bij hetzelfde startbedrag. Zet die punten in de grafiek en verbind ze vloeiend, in een andere kleur of met een stippellijn. Rij B zelf blijft leeg vooruit: die vul je ook de komende twee weken vakje voor vakje in met wat er écht is uitbetaald, zodat je in week 6 model en werkelijkheid naast elkaar kunt leggen.
  5. Lees af in welke week de bocht de lijn kruist en controleer die week en de week ervoor met de rekenmachine: klopt je aflezing op de cent?
  6. Kasboek bijhouden. Vierde week op rij — je zit over de helft.

📏 Noteer: Bewaar de grafiek met beide lijnen en de schaal erbij. Noteer het kruisweeknummer plus de twee bedragen waarmee je het hebt gecontroleerd.

💡 Let op: De bocht van potje B ziet er de eerste weken saai uit, bijna een rechte lijn die iets te langzaam gaat. Dat is geen tekenfout: 10% van € 12,00 is maar € 1,20, en 10% van iets kleins blijft iets kleins. Teken dus door tot week 20 vóórdat je oordeelt — wie na zes weken stopt, concludeert precies het tegenovergestelde van wat waar is. Nog een klassieke fout: als je bocht na week 15 boven de bovenrand van je papier uitkomt, plak dan een tweede vel eraan of neem 1 hokje = € 4,00. Punten die je 'even op de rand' zet, maken je kruispunt onbetrouwbaar.

Week 5

Wat doet een échte bank? De vuistregel van 72 en de sluiproute van inflatie

De thuisbank is een versnelde film. Deze week kijk je naar de echte snelheid: je zoekt met je ouder de spaarrente van een echte bank op en rekent uit wat die met € 100,00 doet. Daarna leer je een vuistregel waarmee je zonder rekenmachine kunt zien hoe lang geld erover doet om te verdubbelen. En je ontdekt de vervelende tegenspeler die bijna niemand meerekent: inflatie.

  1. Vul rij B bij voor deze week: × 1,10, afronden op centen. Rente laten uitbetalen, in je kasboek noteren.
  2. Zoek samen met je ouder op zijn of haar scherm de spaarrente van een echte bank op en schrijf het percentage per jaar over. Kijk alleen, log niet in en vul niets in.
  3. Reken uit wat € 100,00 daar wordt na 1 jaar en na 10 jaar met de formule eindbedrag = € 100,00 × (1 + r)ⁿ. Bij 1,5% per jaar: na 1 jaar € 100,00 × 1,015 = € 101,50, na 10 jaar € 100,00 × 1,015¹⁰ = € 100,00 × 1,16054 = € 116,05.
  4. Pas de vuistregel van 72 toe: 72 ÷ rentepercentage = het aantal periodes om je geld te verdubbelen. Bij de bank: 72 ÷ 1,5 = 48 jaar. Bij de thuisbank: 72 ÷ 10 = 7,2 weken. Controleer die laatste in je rekenblad — tussen welke twee weken verdubbelt potje B écht?
  5. Zoek de inflatie van vorig jaar op (het CBS publiceert die), of vraag een volwassene wat een brood of een patatje tien jaar geleden kostte en vergelijk met de prijs van vandaag.
  6. Reken je échte rendement uit: (1 + rente) ÷ (1 + inflatie) − 1. Bij 1,5% rente en 2,5% inflatie: 1,015 ÷ 1,025 = 0,99024, dus − 1 = −0,00976 = −0,98% per jaar. Je geld groeit, maar je kunt er minder van kopen.
  7. Kasboek bijhouden. Vijfde week.

📏 Noteer: Noteer: de echte spaarrente in % per jaar, wat € 100,00 daar wordt na 1 jaar en na 10 jaar, de verdubbeltijd volgens de vuistregel van 72, de verdubbelweek die je in je rekenblad afleest, en je échte rendement in % per jaar.

💡 Let op: De vuistregel van 72 is een benadering en hij is eerlijk gezegd een beetje lui — reken erop dat hij er een paar procent naast zit. Bij 1,5% zegt hij 48 jaar terwijl het exact 46,6 jaar is (ruim 3% ernaast). Bij 10% per week zegt hij 7,2 weken terwijl het exact 7,27 weken is (1% ernaast). In je rekenblad zie je potje B ergens tussen week 7 (€ 23,39) en week 8 (€ 25,73) door de € 24,00 heen gaan — dat klopt keurig met 7,3. De regel is goed genoeg om uit je hoofd te doen en te slecht om een hypotheek op te baseren; weet welke van de twee je aan het doen bent.

Week 6

De eindrekening: model tegen werkelijkheid

Zes weken data liggen op tafel. Nu sluit je het kasboek af, middel je uit, en leg je je papieren rekenblad naast wat er écht in de pot zit. Je rekent uit wanneer je je spaardoel haalt met allebei de strategieën, en je schrijft één conclusie op waar je daarna ook echt iets mee doet. Verwacht geen perfecte match tussen model en pot — het verschil verklaren is de opdracht.

  1. Vul rij B een laatste keer bij en laat de laatste rente uitbetalen. Sluit het contract netjes af met een streep en een datum.
  2. Sluit je kasboek: tel alle inkomsten en alle uitgaven over zes weken op, en reken het gemiddelde per week uit (totaal ÷ 6).
  3. Reken je gemiddelde spaarquote over zes weken uit: (totale inkomsten − totale uitgaven) ÷ totale inkomsten × 100%. Vergelijk met de spaarquote van week 1 alleen. Is hij gestegen, gedaald of gelijk gebleven — en weet je waardoor?
  4. Leg rij B — je vier echt uitbetaalde weken — naast rij B-voorspeld uit week 4. Verschil? Zoek de reden: een week overgeslagen, naar beneden afgerond, een dag later uitbetaald. Schrijf de reden op, niet alleen het verschil.
  5. Reken uit wanneer je je spaardoel haalt met beide manieren. Potje A los je op: startbedrag + weekbedrag × n = doelbedrag. Potje B doe je met de rekenmachine: telkens × 1,10 tot je erover gaat, en tel de stappen.
  6. Reken je totale kasverschil over zes weken uit als percentage van je totale uitgaven: kasverschil ÷ totale uitgaven × 100%.
  7. Schrijf je conclusie in drie zinnen en neem één besluit dat je volgende week echt uitvoert. Eén. Een lijst met zeven goede voornemens is hetzelfde als geen enkel voornemen.

📏 Noteer: Noteer: totale inkomsten en uitgaven over zes weken in €, gemiddelde per week in €, gemiddelde spaarquote in %, uitbetaalde rente in € tegenover je rekenblad, de doelweek voor potje A en voor potje B, en je totale kasverschil in % van je uitgaven. Plus je besluit, in één zin.

💡 Let op: Bijna niemand komt op nul uit, en dat hoort zo. Een kasverschil van 5% tot 15% van je totale uitgaven is normaal in een handgeschreven kasboek; kleine contante uitgaven zonder bonnetje zijn veruit de grootste oorzaak, daarna geld dat je hebt uitgeleend en vergeten bent. Een kasboek dat na zes weken exact op de cent klopt, is eerlijk gezegd verdachter dan een kasboek dat er 8% naast zit — dan is er waarschijnlijk ergens een getal aangepast om het mooi te maken. Hetzelfde geldt voor de rente: als je ouder één week vergat uit te betalen, mis je niet alleen die ene keer, maar ook alle rente óver die rente daarna. Bij vier renteweken scheelt één gemiste week al zo'n 9% van je eindbedrag. Reken dat na, het is een van de mooiste sommen van dit project.

Kies een profiel om je voortgang te bewaren — meelezen en meedoen kan altijd.

🧮 Vast bedrag of vast percentage: in welke week haalt de bocht de lijn in?

Dit is het hele project in twee formules. Bij een vast bedrag tel je elke week hetzelfde op: je saldo groeit met een constante snelheid en de grafiek is een rechte lijn. Dat heet lineaire groei. Bij een vast percentage vermenigvuldig je elke week met hetzelfde getal: je krijgt rente over je inleg, maar de week daarna ook rente over de rente die je toen kreeg. Dat heet samengestelde interest, en de grafiek is een bocht die steeds steiler wordt — exponentiële groei. Het verrassende is niet dat de bocht wint, maar hoe belachelijk lang hij verliest. Precies daarom stoppen zoveel mensen te vroeg met sparen: ze meten in week 6 en trekken de conclusie die pas in week 18 fout blijkt te zijn.

potje A (vast bedrag): S(n) = S₀ + b × n — potje B (vast percentage): S(n) = S₀ × (1 + p)ⁿ met S₀ = startbedrag, b = bedrag per week, p = rente per week als kommagetal, n = aantal weken

Sanne begint met € 12,00 in haar spaarpot en wil een koptelefoon van € 90,00. Ze vergelijkt twee manieren, allebei vanaf hetzelfde startbedrag. POTJE A — elke week € 3,00 erbij, geen rente. S₀ = € 12,00 en b = € 3,00 per week. S(6) = € 12,00 + € 3,00 × 6 = € 12,00 + € 18,00 = € 30,00 POTJE B — elke week 10% rente over wat erin zit, niets bijstorten. S₀ = € 12,00 en p = 10% = 0,10. week 1: € 12,00 × 1,10 = € 13,20 week 2: € 13,20 × 1,10 = € 14,52 week 3: € 14,52 × 1,10 = € 15,972 → € 15,97 week 4: € 15,97 × 1,10 = € 17,567 → € 17,57 week 5: € 17,57 × 1,10 = € 19,327 → € 19,33 week 6: € 19,33 × 1,10 = € 21,263 → € 21,26 In één keer met de formule: S(6) = € 12,00 × 1,10⁶ = € 12,00 × 1,771561 = € 21,258732 → € 21,26. Dat is dezelfde uitkomst, dus je week-voor-week-rekenblad klopt. NA ZES WEKEN: potje A € 30,00, potje B € 21,26. Het saaie potje wint met € 8,74 verschil — dat is 41% méér. Als je hier stopt, concludeer je dat rente niets voorstelt. DOORREKENEN TOT DE KRUISING: week 17: A = € 12,00 + € 3,00 × 17 = € 63,00 en B = € 12,00 × 1,10¹⁷ = € 12,00 × 5,05447 = € 60,65 → A ligt nog voor week 18: A = € 12,00 + € 3,00 × 18 = € 66,00 en B = € 12,00 × 1,10¹⁸ = € 12,00 × 5,55992 = € 66,72 → B gaat eroverheen In week 18 haalt de bocht de lijn in, met € 0,72 verschil. Vanaf dat moment loopt B alleen maar verder weg en komt A nooit meer terug. WANNEER IS DE KOPTELEFOON VAN € 90,00 BETAALD? potje A: € 12,00 + € 3,00 × n = € 90,00 → € 3,00 × n = € 78,00 → n = € 78,00 ÷ € 3,00 = 26 weken (een half jaar) potje B: € 12,00 × 1,10ⁿ = € 90,00 → week 21 geeft € 12,00 × 7,40025 = € 88,80 (net te weinig), week 22 geeft € 12,00 × 8,14027 = € 97,68 → n = 22 weken Potje B is vier weken eerder klaar, terwijl het in week 6 nog hopeloos achterlag. WAT ER IN HET ECHT MISGAAT — en dat is geen ramp: • Afronden. De thuisbank rondt elke week af op hele centen, de formule met de macht doet dat niet. Bij zes weken komt het hier toevallig precies gelijk uit (€ 21,26), maar over twintig weken kan je rekenblad een dubbeltje afwijken van de formule. Dat is afronding, geen rekenfout. • Een gemiste week. Als je ouder de rente van week 3 vergeet, mis je niet alleen die € 1,45. Je mist ook alle rente óver die rente: je komt dan uit op € 14,52 × 1,10³ = € 14,52 × 1,331 = € 19,33 in plaats van € 21,26. Dat is € 1,93 minder, oftewel 9,1% van je eindbedrag — door één vergeten week. • Je eigen inleg. Potje A haalt in het echt bijna nooit die € 3,00 per week, omdat er altijd een week met een verjaardag tussen zit. Reken daarom in week 6 na met je écht gemiddelde inleg, niet met je gehoopte inleg. Tien tot twintig procent lager is heel gewoon.

🏁 Wat je nu weet

Je weet nu drie dingen die je de rest van je leven kunt gebruiken. Eén: je kunt boekhouden. Een kasboek met datum, in, uit en saldo is precies wat een bedrijf ook doet, alleen met meer nullen — en het verschil tussen 'ik heb het gevoel dat ik veel uitgeef' en 'ik geef gemiddeld € 3,20 per week uit, waarvan 45% aan drinken' is het verschil tussen een gevoel en een feit. Twee: je kent het verschil tussen optellen en vermenigvuldigen in de tijd. Lineaire groei is een rechte lijn en voorspelbaar; exponentiële groei is een bocht die je eerst uitlacht en daarna inhaalt. Drie: je weet dat rente over rente tijd nodig heeft, en dat tijd het ingrediënt is dat je op je twaalfde in overvloed hebt en op je vijftigste niet meer kunt kopen. In het groot is dit dezelfde som die pensioenfondsen maken: iemand die op zijn 25e begint te sparen legt veel minder geld in dan iemand die op zijn 45e begint, en heeft toch veel meer. Maar de bocht werkt precies zo hard tegen je als vóór je: een creditcardschuld van € 500,00 tegen 14% rente per jaar die je niet aflost, is na vijf jaar € 500,00 × 1,14⁵ = € 500,00 × 1,92541 = € 962,71 — bijna verdubbeld zonder dat je er iets voor terugkrijgt. Het is dezelfde formule, maar dan aan de andere kant van de streep. Wie de bocht begrijpt, kiest bewust aan welke kant hij staat.

🚀 Nog een stap verder: Combineer de twee potjes: elke week een vast bedrag inleggen én rente krijgen over het totaal. Dat is precies wat een echte spaarrekening met automatische inleg doet, en de formule wordt S(n) = S₀ × (1 + p)ⁿ + b × ((1 + p)ⁿ − 1) ÷ p. Met dezelfde getallen: S(6) = € 12,00 × 1,771561 + € 3,00 × (1,771561 − 1) ÷ 0,10 = € 21,26 + € 3,00 × 7,71561 = € 21,26 + € 23,15 = € 44,41. Dat is meer dan potje A (€ 30,00) en potje B (€ 21,26) bij elkaar opgeteld minus je startbedrag — en het verslaat allebei de losse strategieën na zes weken al ruim. Controleer het week voor week op je rekenblad (× 1,10, dan + € 3,00, dan de volgende week): € 12,00 → € 16,20 → € 20,82 → € 25,90 → € 31,49 → € 37,64 → € 44,40. Die laatste cent verschil met de formule is geen fout: je rondt elke week af, de formule niet. Reken daarna uit in welke week je de koptelefoon van € 90,00 zo haalt — dat is verrassend veel eerder dan de 22 weken van potje B alleen.